Krishna voor kinderen


Krishna Dvaipâyana Vyâsa

De Wonderbaarlijke Avonturen van
Krishna en Balarâma
Een bewerking voor de jeugd
van deze oeroude geschiedenis uit het Bhâgavata Purâna




           


             

2

Een Huilende Koe


 

De aarde is een levend wezen. Ze heeft geen armen en benen, maar dat heeft een slang ook niet. Ze heeft geen ogen en geen mond, maar dat heeft een pompoen ook niet. Maar zoals een slang en een pompoen toch leven, leeft de aarde ook. De mensen, de dieren en de planten wonen op de huid van de aarde zoals er mijten en microben op onze huid wonen. Hele kleine wezentjes die je met het blote oog niet kunt zien. Soms zitten er van een bepaalde soort opeens te veel op je vel. Als dat een kwaaie soort is, krijg je een huidziekte. Meer dan vijftig eeuwen geleden had Moeder Aarde  zo'n huidziekte. Er zaten te veel kwaaie mensen op haar vel. Het waren duivelse vorsten met oppermachtige legers. Moeder Aarde voelde zich er akelig van. Ze zag maar één mogelijkheid om ervan af te komen. Als Vishnu haar te hulp zou kunnen komen, zou ze weer gezond verder kunnen leven.

Moeder Aarde bezit vele wondervermogens. Een ervan is dat ze net als Vishnu van vorm kan veranderen. Bijvoorbeeld in een smetteloos witte koe. Als zo'n koe kan ze dan over haar eigen huid heen en weer lopen: over de aarde. En als zo'n koe kan ze haar eigen aarde-gras grazen.

Toen de duivelse vorsten haar huid bezeerden, veranderde Moeder Aarde zich in een sneeuwwitte koe. Droevig loeiend hief ze haar kop op. Niet naar Vishnu, want God was te ver weg. Ze hief haar kop op naar Brahmâ. Brahmâ is de onderkoning van het heelal. Hij heeft vier armen en ook vier hoofden. In opdracht van Vishnu heeft hij de hele wereld geschapen. Hij woont boven in de kosmos op een hemellichaam in de vorm van een lotusbloem. Met onze mensenogen kunnen we hem niet zien. Maar Moeder Aarde, die geen mens is maar een godin, zag hem heel goed. Loeiend deed ze bij Brahmâ haar beklag.  Meteen nam Brahmâ haar mee naar de kust van de Melkzee. De andere goden kwamen in een stoet achter hen aan: S'iva, Ganes'a, Indra, Nârada, Varuna, Kuvera en hoe ze allemaal ook mogen heten. Honderden, duizenden goden en andere hemelbewoners volgden de schepper met zijn vier hoofden en Moeder Aarde in de gedaante van een witte koe. Het was een wonderlijke stoet …  

Aan de kust van de Melkzee bleven ze allemaal staan. De Melkzee is een eindeloze plas van licht, waarin Vishnu en Lakshmî wonen. Vishnu ligt languit op zijn rug op een reusachtige slang, die languit op zijn rug in de Melkzee drijft. Vishnu ligt dus op de slangenbuik, die wit is en zacht als fluweel. De slang heeft honderden koppen. Al die koppen houdt hij als een parasol over Vishnu en Lakshmî heen. Lakshmî zit op de fluwelen slangenbuik aan Vishnu's voeten. Ze masseert ze met haar vier handen.

De naam van de slang is Ananta. Dat betekent: Eindeloze. Je zult wel begrijpen dat hij geen gifslang is. Hij is een honingslang. Uit zijn monden komt geen gif maar honing. Zijn honderden koppen vertellen in alle eeuwigheid honingzoete verhalen over Vishnu. En geen twee koppen zeggen hetzelfde: zo veel verrukkelijks is er over God te vertellen. En God maar zalig liggen luisteren naar al die prachtige verhalen over hem. Als we alles zouden proberen op te schrijven wat Ananta's koppen over Vishnu hebben te zeggen, zouden we aan al het papier van de wereld niet genoeg hebben.

We hebben al verteld dat Vishnu in zichzelf vele vormen van God meedraagt; en dat een aantal van ze er anders uitziet dan hij. De slang Ananta is er één van. Ananta is even goddelijk als Vishnu zelf. God kan eruit zien zoals hij wil. Hij is almachtig.

Moeder Aarde en de goden konden Vishnu, Lakshmî en Ananta niet zien. Alleen Brahmâ de schepper zag God. Eerst aanbad hij hem, samen met de anderen. Toen bracht hij hem de klacht over van Moeder Aarde, die haar droevig loeien even staakte. Vishnu weet alles. Hij kent het verste verleden, hij kent het heden en hij kent de verste toekomst. Als je dat vreemd vindt, weet híj dat je dat vreemd vindt. Hij is immers alwetend. Hij wist dus ook dat Moeder Aarde last van haar huid had. Dat kwade vorsten er met hun reusachtige legers over rondrosten en de gewone goede mensen onderdrukten. Maar Vishnu liet Brahmâ helemaal uitspreken, alsof hij nergens van afwist. Dat was zijn goddelijke spel.

Toen de schepper was uitgesproken zei Vishnu: 'Luister. Heer Ananta en ikzelf zullen naar de aarde komen. Maar niet zoals we er nu uitzien. We zullen op aarde verschijnen in de gedaante van gewone mensenkinderen. We zullen ervoor zorgen dat we samen geboren worden in de koninklijke familie Yadu. 'En niet alleen wij tweeën zullen komen. Ook Yogamâyâ, mijn wonderkracht, zal neerdalen. Zij komt in de gedaante van een meisje. 'Ook jullie goden zullen in de familie Yadu op aarde geboren worden. Èn de godinnen. Daal allemaal neer. Met elkaar zullen we de aarde redden van het gespuis.'

Toen Vishnu zo gesproken had
Dankte de witte koe de Heer.
Ze liet de Melkzee achter zich
En was de ronde aarde weer.

(Bron: S.B. 1.16, 10.1)